Rechten van de sollicitant

Vlaamse Regering

MINISTERIEEL BESLUIT TOT UITVOERING VAN DE ARTIKELEN 7, §5 EN 13, TWEEDE LID VAN HET DECREET VAN 13 APRIL 1999 MET BETREKKING TOT DE PRIVATE ARBEIDSBEMIDDELING IN HET VLAAMSE GEWEST

De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,

Gelet op het decreet van 13 april 1999 met betrekking tot de private arbeidsbemiddeling in het Vlaamse Gewest, inzonderheid op artikel 13, tweede lid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 2000 tot uitvoering van het decreet van 13 april 1999 met betrekking tot de private arbeidsbemiddeling in het Vlaamse Gewest;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, zoals gewijzigd;

Gelet op het advies van de adviescommissie voor private arbeidsbemiddeling in het Vlaams Gewest, gegeven op 13 september 2000;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de bureaus voor private arbeidsbemiddeling zonder verwijl in kennis moeten worden gesteld van de termijn waarbinnen zij gebruik moeten maken van de erkenning en van de teksten waarin de rechten van de werknemer en de opdrachtgevende werkgever worden uiteengezet, gezien de bureaus overeenkomstig voormeld decreet ertoe gehouden zijn deze tekst te overhandigen of in extenso aan te plakken en gezien voormeld decreet op 1 september 2000 in werking is getreden,

Besluit:

Art. 1. De tekst bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het decreet van 13 april 1999 met betrekking tot de private arbeidsbemiddeling in het Vlaamse Gewest, gevoegd bij dit ministerieel besluit, wordt vastgesteld.

Art. 2. Het bureau voor private arbeidsbemiddeling is ertoe gehouden effectief gebruik te maken van de erkenning binnen een termijn van negen maanden. Deze termijn gaat in op de dag dat de beslissing tot erkenning ter kennis wordt gebracht van het bureau.

Art. 3. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2000.

Brussel, 29 september 2000

De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,

Renaat Landuyt

Bijlage bij het ministerieel besluit tot uitvoering van de artikelen 7, §5 en 13, tweede lid van het decreet van 13 april 1999 met betrekking tot de private arbeidsbemiddeling in het Vlaams Gewest

TEKST MET DE RECHTEN

1. Het bureau mag onder geen beding enige vergoeding van de werknemer vragen of ontvangen.

2. Het bureau dient alle betrokkenen op een objectieve, respectvolle en niet-discriminerende wijze te behandelen en mag geen personeelsadvertenties opstellen of publiceren die aanleiding kunnen geven tot discriminatie.

3. Het bureau dient de persoonlijke levenssfeer van de werknemers te eerbiedigen en de gegevens die tot de persoonlijke levenssfeer behoren, enkel op te vragen en te gebruiken met toestemming en in het belang van de werknemer in het kader van zijn professionele inschakeling en met inachtneming van de regelgeving betreffende de verwerking van persoonsgegevens en het vrij verkeer van die gegevens. (a)

4. Het bureau dient inzage te verlenen aan de opdrachtgever en de werknemers betreffende de over hen opgeslagen gegevens en dient hen, op hun verzoek, na beëindiging van de opdracht een afschrift van hun dossier te bezorgen. (b)

5. Het bureau mag informatie over de opdrachtgevende werkgever en de werknemers enkel opvragen en gebruiken binnen het kader van de bemiddelingsactiviteiten.

6. Het bureau dient de opdrachtgevende werkgever en de werknemers juiste, tijdige en volledige informatie te verstrekken over de bemiddelingsactiviteiten en over de aard van de tewerkstelling.

7. Persoonlijkheidsonderzoeken en psychologische tests kunnen enkel plaatsvinden door of onder verantwoordelijkheid van een psycholoog.

8. Het bureau mag geen bemiddelingsactiviteiten uitoefenen voor vacatures waartegenover geen reëel jobaanbod staat.

9. Het bureau mag geen activiteiten uitoefenen die leiden tot een tewerkstelling die strijdig is met de openbare orde of waarvan het bureau duidelijk kan vaststellen dat zij een inbreuk inhouden op de sociale of fiscale wetgeving.

10. Het bureau mag geen bemiddelingsactiviteiten uitoefenen voor zover deze verband houden met een staking, uitsluiting of een schorsing van een arbeidsovereenkomst, ten gevolge van het slechte weer of bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken. (c)

11. Het bureau mag werknemers van vreemde nationaliteit bemiddelen voorzover de reglementering inzake de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten wordt nageleefd.

12. Het bureau mag niet in de plaats treden van de opdrachtgevende werkgever bij de aanwervings- of ontslagbeslissing of de onderhandelingen daaromtrent.

13. Het bureau mag in geen geval in een drankgelegenheid of in een aanhorigheid van een dergelijke aangelegenheid worden gevestigd. Zo het bureau gevestigd is in een handelshuis moet het zonder toedoen van de handelaar of diens aangestelde toegankelijk zijn langs een afzonderlijke ingang.

14. De erkenning van een bureau kan worden ingetrokken, na advies van de adviescommissie, wanneer het als voorwaarde stelt dat de bemiddelde personen het bureau bij iedere nieuwe bemiddeling zal laten optreden (verbod van exclusiviteitsclausule).

15. Bemiddelingsbureaus van schouwspelartiesten en van betaalde sportbeoefenaars mogen slechts erelonen, commissielonen, bijdragen, toelatings- of inschrijvingsgelden, hierna aangeduid onder de benaming "commissieloon", ontvangen binnen de hierna bepaalde grenzen. Het commissieloon wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen het bureau en de opdrachtgever. Het bedraagt ofwel een percentage van het totale bruto inkomen van de werknemer ofwel een forfaitair bepaald bedrag. De werknemer ontvangt een afschrift van deze overeenkomst. Voor wat de bemiddeling van schouwspelartiesten betreft, bedraagt het commissieloon maximum 25 % van de vergoeding die de schouwspelartiest zal ontvangen voor zijn prestatie. Voor wat de bemiddeling van betaalde sportbeoefenaars betreft, bedraagt het commissieloon maximum 7 % van het voorziene totale bruto jaarinkomen van de betaalde sportbeoefenaar.

16. Elk bureau dient vooraf te worden erkend. Het bureau dat uitzendactiviteiten, outplacementactiviteiten, arbeidsbemiddeling van betaalde sportbeoefenaars of arbeidsbemiddeling van schouwspelartiesten uitoefent, dient hiervoor over een afzonderlijke erkenning te beschikken.

17. Het bureau dient in advertenties en in zijn briefwisseling melding te maken van het erkenningsnummer.

18. Het bureau is ertoe gehouden deze tekst te overhandigen aan de gegadigden of in extenso aan te plakken in de voor het publiek toegankelijke lokalen van het bureau op de plaats waar hij het best kan worden gelezen.

19. Bureaus die als activiteiten hebben het bekendmaken van werkaanbiedingen via de geschreven, auditieve of visuele media (TV, kranten, internet, radio, etc.), dienen deze tekst in extenso kenbaar te maken via het betrokken medium ofwel uitdrukkelijk de locatie (bijv. internetadres) te vermelden waar de voormelde tekst wordt ter beschikking gesteld. Deze tekst dient op eenvoudige aanvraag gratis te worden ter beschikking gesteld door het bureau.

20. Het bureau dient de gedragscode te onderschrijven en na te leven. De gedragscode maakt integraal deel uit van deze tekst met de rechten.

21. Klachten kunnen worden ingediend bij het klachtenorgaan van de respectievelijke beroepsfederatie of het paritair overlegorgaan van de betrokken sector, als deze beschikt over een klachtenprocedure die door de minister gelijkwaardig is verklaard.

Bij ontstentenis van een gelijkwaardige klachtenprocedure, kunnen klachten schriftelijk (Markiesstraat 1, 1000 Brussel), telefonisch (02/553.31.11) of via elektronische post (arbeidsmarktbeleid@vlaanderen.be) worden ingediend bij de afdeling Migratie en Arbeidsmarktbeleid van de administratie. Om ontvankelijk te zijn dienen de klachten gemotiveerd te zijn, op duidelijke wijze te omschrijven welke de vermeende inbreuk is en dient de klager zijn identiteitsgegevens uitdrukkelijk te vermelden. De anonimiteit van de klager wordt gewaarborgd.

(a) cfr. de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 11 december 1998 tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens.

(b) M.b.t. uitzendactiviteiten geldt deze bepaling enkel voor wat betreft het selectiedossier, maar niet voor het personeelsdossier.

(c) cfr. artikel 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten